|
In
het kader van Congres Kunst, cultuur & gemeenschapszin
op donderdag 22 september 2005 in Hotel Congrescentrum De Reehorst, Ede
Ida
van der Lee houdt zich in haar werk als beeldend kunstenaar veel bezig
met veranderingsprocessen als sloop en nieuwbouw. Haar projecten gaan
in op de ziel van een plek en de persoonlijke geschiedenis van de mensen
die er leven. Vanuit die gedachte betrekt ze bewoners ook bij haar kunst.
Sandra
Trienekens en Rik Pinxten signaleren dat gemeenschapskunst een eigen eilandje
voor zielige mensen dreigt te worden.
Daar hebben ze een punt. Het is al gauw: daar heb je Ida van der Lee met
haar bewonerskunst. Natuurlijk doet zo'n houding de projecten, mij en
de deelnemers geen recht en moet je daar alert op zijn. Dat is trouwens
vooral het perspectief van mensen die zelf sociaal niet zo handig zijn,
om het 'een doekje voor het bloeden' of 'gezellige kunst' te noemen. Gemeenschapskunst
is natuurlijk gewoon een integraal onderdeel van de kunstsector. Net zoals
er standbeelden zijn, moet dit er ook zijn.
Eergisteren
had ik een presentatie bij Culturele Planologie van de provincie Noord-Holland.
Daar was ook een hoogleraar archeologie die zeer enthousiast raakte over
mijn projecten, ook omdat ze volgens hem staan in een traditie van vele
eeuwen. Mijn werk richt zich vaak op veranderingsprocessen als sloop en
nieuwbouw en is een zoektocht naar de ziel van plekken. In het project
Sloophamer - Schatkamer liet ik mensen hun herinneringen aan hun wijk
die ging verdwijnen in een schatkist doen en in een processie meenemen.
Rituelen waarbij mensen bezielde voorwerpen uit hun oude situatie meenemen
wanneer ze een grens overgaan en ze weer integreren in een nieuwe situatie,
bestaan eigenlijk al zolang mensen verhuizen. Ik vind mijn werk ook geen
kunst met een grote K. Daarmee bedoel ik mee dat mijn werk minder aan
ideeën over hoge kunst is verbonden, en meer wil ingaan op de menselijke
natuur.
Is
je werk niet juist relevant omdat het niet verheven wil zijn maar de wortels
van mensen op wil zoeken?
Dat vind ik inderdaad een belangrijk thema. In onze tijd zijn of raken
steeds meer mensen ontworteld, maar er zijn er minstens zoveel die geen
wortels hebben op de plek waar ze wonen zonder zich daarvan bewust te
zijn. Dat vind ik heel treurig. Als je dan op een plek als het Visserhop
komt (het project Schatkamer Sloophamer), springt je hart op bij het zien
van zoveel saamhorigheid en bewustzijn van de eigen historie. Deze mensen
hebben ook daardoor op eigen kracht bereikt dat bij de nieuwbouw van hun
dorp het oude stratenpatroon en de laagbouw gehandhaafd zouden worden.
Helaas is door allerlei omstandigheden na de nieuwbouw slechts een derde
van de oorspronkelijke bewoners teruggekeerd. Ik hoop dat ik door het
naar bovenhalen van hun informele cultuur hun geschiedenis aan ze terug
kan geven.
Ik
heb gemerkt dat je er wel iets tegenover moet stellen als je wilt dat
mensen zich werkelijk inzetten voor gemeenschapskunst. Bij het Vissershop
was het bijvoorbeeld zo dat je een entreekaartje voor de tocht op de rondvaartboot
kon verdienen door je eigen verhaal op te schrijven. Die dag op de rondvaartboot
was tegelijk een soort reünie en het succes ervan schiep ook weer
het nodige vertrouwen bij de deelnemers. Dat winnen van vertrouwen is
ook iets waar je als kunstenaar een vorm voor moet vinden. Het helpt als
je je niet te dwingend opstelt en mensen duidelijk maakt dat hun deelname
vrijblijvend is, als je ze kortom niet te dicht op de huid gaat zitten.
Dit geldt ook richting de officiële instanties. Op een zeker moment
kende iedereen in de buurt me, zelfs mensen die ik zelf niet goed kende,
en beschouwde men mij als 'hun' kunstenaar.
Ikzelf
leerde de meeste bewoners past echt kennen in de tweede fase, waarin we
de verhalen selecteerden en redigeerden. Je moet je daarbij ook realiseren
dat het voor veel mensen een gekke tijd was, omdat ze zelf ook ontzettend
druk waren met hun eigen verhuizing naar hun nieuwe huis. Het viel ze
dus niet mee om intensief mee te doen aan mijn project. Waar ik echter
niet op gerekend had was de grote belangstelling van mensen langer geleden
in het Vissershop hadden gewoond en nu terugkwamen om afscheid te nemen
van een plek die ging verdwijnen. Het Vissershop had blijkbaar een kwaliteit
die ervoor zorgde dat het voor altijd iemands thuis bleef, hoe lang geleden
ze er ook waren vertrokken.
Wat
ik ook heb gemerkt is dat mensen pas een verhaal opschrijven als je ze
op weg helpt door de goede vragen te stellen. Daarvoor heb ik me verdiept
in de geschiedenis van de wijk. Zou je dat nalaten als kunstenaar, dan
zouden de meesten niet verder komen dan 'het is zo gezellig met m'n buren
en met het WK zitten we op straat'. Maar mét die hulp kwamen de
prachtigste verhalen naar boven, soms zelfs geïllustreerd met foto's.
Aan sommige bijdragen kon je gewoon proeven dat er een flink potje over
gejankt moet zijn. Ik ben wel tot de conclusie gekomen dat je het meeste
te weten komt in een persoonlijk gesprek, en dan is zelfs een interviewvorm
al te dwingend. In de terloopsheid vang je nog het meeste op, waarbij
het dan de kunst is om dat goed te registreren. Voor mezelf is dat nog
wel een uitdaging.
Op
dit moment beoordelen we met een jury, waarin ook bewoners zitten, de
ingezonden verhalen. Veel bewoners hadden belangstelling voor ons werk
in de tweede fase, en de verhalen die ze lazen, leverden vaak weer nieuwe
dwarsverbanden en verhalen op. Vaak kwamen ze ook langs in de hoop oude
kennissen te ontmoeten en werden op die manier oude contacten opgehaald.
In de tweede fase, waarin ik de oude huizen had bewerkt door onder andere
gaten in de vloeren en het dak te maken, merkte ik dat de bewoners vaak
vooral geïmponeerd waren het labyrint dat was ontstaan door deze
ingrepen. Daardoor kwamen ze nog niet toe aan de details uit hun eigen
verleden.
Samen
met kunstenaar Jaap Velserboer, die zelf ook uit de Zaanstreek komt, heb
ik bij het bewerken van de verhalen gemerkt hoeveel lagen er zelfs in
de eenvoudigste teksten zijn terug te vinden en hoeveel zelfs het veranderen
van een enkel woord kan aanrichten in een tekst. We wilden ook graag de
eigen stem van de mensen in de taal laten doorklinken, ook waar ze dingen
een beetje mal uitdrukten.
Het
Vissershop was een hechte gemeenschap met een samenhangende geschiedenis.
Hoe werkt jouw benadering in een omgeving waar die cohesie ontbreekt?
Kun je mensen ook wortels géven?
De Vrolikstraat in Amsterdam, waar ik mijn project Wasgoed, Is Goed heb
gedaan is een goed voorbeeld van zo'n omgeving. Ik denk dat mensen altijd
wel iets hebben waar je op kunt aansluiten, alleen zijn ze zich er weinig
van bewust. Er is wel behoefte aan een vorm van saamhorigheid maar weinig
aanleiding om deze ook te beleven. In de Vrolikstraat heb ik een simpele
vorm gekozen. Iedereen heeft wasgoed, en wasgoed zegt heel veel over je
identiteit. De een hangt een witte onderbroek op en de ander een folkloristisch
gewaad. Daarbij kwam de kracht van het beeld van al die wapperende lappen
stof, dat door de hele stad gezien werd, en daarmee de Vrolikstraat opnieuw
op de kaart zette. Zo ontstond bij de bewoners een gevoel van trots op
de eigen straat, nu deze eens positief in beeld was.
Rik Pinxten zegt dat in een omgeving waarin veel taalbarrières
bestaan, de kunst een van de zeldzame vormen is waar mensen nog een interactie
kunnen aangaan.
Nou ja, wasgoed is natuurlijk ook een universele taal. Wat mij betreft
komt er nog iets bij: We raken met z'n allen steeds meer gegeneerd om
de openbare ruimte in bezit te nemen door bijvoorbeeld onze was buiten
te hangen. Waar dat vroeger heel gebruikelijk was, hoor je dat in de moderne
samenleving niet te doen. Daarmee worden huizen steeds meer fortificaties.
Ik wil mensen ook bewust maken van de codes die ze tot hun beschikking
hebben om iets kenbaar te maken van hun identiteit. Je ziet dat momenteel
ook sterk gebeuren met tuinen.
Zijn
we met z'n allen heel gegeneerde mensen aan het worden in ons massale
streven om een beeld van onszelf naar buiten te brengen dat zoveel mogelijk
strookt met het dictaat van de televisiereclame?
Ja, maar tegelijk ook heel onbeschaamd, als ik kijk naar het decorumverlies
dat om zich heen grijpt als het zonnetje schijnt. Maar wellicht is men
dat ook normaal gaan vinden onder invloed van de media. Blijkbaar dicteren
de media wat er zichtbaar mag worden op straat.
Wij
waren bij onze zoektocht naar wat gemeenschapskunst is en wat zij vermag
ook op de gedachte gekomen dat de openbare ruimte in onbruik is geraakt
omdat zij ook niet meer leefbaar is - ze is te beperkt, te klein en niet
menselijk genoeg vormgegeven.
Daar sluit ik me bij aan. Als je de beelden van Ed van der Elsken van
het Amsterdam uit de jaren zeventig ziet, ontdek je hoeveel we zijn verloren.
Er was toen een bepaalde rommeligheid en levendigheid, die nu bijna geheel
is verdwenen. Mensen sluiten zich bovendien steeds meer op in hun houding.
Dat
is natuurlijk waar, maar laten mensen zich niet ook teveel in de luren
leggen door de media en de vercommercialisering van de openbare ruimte?
Je kunt je natuurlijk ook ontrekken aan deze ontwikkeling, door gewoon
op straat te gaan barbecuen bijvoorbeeld.
Saamhorigheid was een uitstervende deugd, maar gelukkig komen we een beetje
terug van ons individualisme. De norm is echter nog steeds: ieder voor
zich. Bovendien worden mensen steeds assertiever. Als ik kijk naar Amsterdam-Zuid,
waar mensen met veel geld hun paradijsje hebben moeten veroveren, dan
zie ik daar een grote bereidheid om desnoods met hulp van een advocaat
die verworvenheid te bevechten. Dat staat lijnrecht tegenover saamhorigheid
en cohesie. Op plekken als de Vrolikstraat komen mensen op een veel toevalliger
manier terecht, en bestaat er minder de notie van het annexeren van een
omgeving. Daardoor is er meer tolerantie en een betere basis om samen
iets te ondernemen. Veel van ons hebben het natuurlijk ook veel te goed
om saamhorig te hoeven zijn. In de arbeiderswijken bestaat het nog een
beetje omdat de mensen elkaar daar vroeger keihard nodig hadden.
Er
gaan veel stemmen op die het bevorderen sociale cohesie koppelen met integratie
van allochtonen en achterstandgroepen. Bij jou hoor ik een ander geluid,
namelijk dat juist op de plaatsen waar je deze groepen vindt, de cohesie
in ieder geval de meeste kans heeft om te ontstaan. Deze vraag komt niet
echt goed binnen bij mij.
Ik maak me wel zorgen over het feit dat sommige groepen zo weinig invloeden
en inmenging van buitenaf toelaten. Tijd lijkt me overigens nog de belangrijkste
factor is bij het versmelten van culturen. Er is natuurlijk een probleem,
maar de vraag is hoe genuanceerd je daarmee omgaat. De kunst is om je
creativiteit in te zetten om deuren te openen. Overigens; bij het wasgoedproject
waren de meeste buitenlanders overigens veel makkelijker te porren om
mee te doen dan de autochtone Amsterdammers, die vaak heel zuur reageerden.
Een persoonlijke benadering doet overigens wonderen bij het motiveren
van mensen. Ik zoek naar een aanleiding voor het vinden van iets gemeenschappelijks.
De mens is universeler dan hij denkt. Er zijn ondanks de grote verschillen
vele dingen die ons verbinden over verschillende culturen heen.
Je
projecten begeleiden vaak veranderingsprocessen en meestal een zoektocht
naar de ziel van een plek. Heeft bijvoorbeeld de Bijlmermeer dan een ziel?
Vergis je niet, ook die plek begint op dit moment in groot tempo een ziel
te krijgen, hoewel dat voor de buitenwereld vaak onzichtbaar is. Natuurlijk
is het daar op een grandioze manier misgegaan in het verleden, maar juist
dat vormt de voedingsbodem voor het proces dat nu gaande is. Je ziet in
de Bijlmer op drie niveaus van ontworteling. Ten eerste is de Bijlmer
gebouwd op een tabula rasa gebouwd; behalve de namen van sommige boerderijen
is geen spoor behouden van het vroegere landschap. Ten tweede laat de
aard van bebouwing ook niet toe dat mensen iets eigens toevoegen; de schaalloosheid
maakt het irrelevant of je op de derde verdieping in het vierde appartement
woont of op de zesde in het tweede appartement. Tot slot wordt de Bijlmer
bewoond door mensen die zelf ook ontworteld zijn, omdat ze uit volslagen
andere culturen plotseling naar Nederland zijn gekomen.
Toch,
naarmate de tijd verstrijkt zie je zelfs zo'n wijk een eigen geschiedenis
en identiteit krijgen. Daarom heb ik ook twijfels bij de gretigheid waarmee
veel naoorlogse wijken op de schop gaan. In die renovatiewoede worden
ook de structuren die zijn ontstaan in zulke wijken vaak ook kapot gemaakt.
Bewoners beleven zo'n ingreep van een corporatie daarom als een inbreuk
op hun leefwereld en geschiedenis; het is alsof ze er niet mogen zijn.
Hoe krakkemikkig een samenleving ook functioneert, je zult respect moeten
hebben voor de structuren die er zijn ontstaan. Het is ook beter om die
structuren te versterken dan ze af te breken om daarna weer helemaal opnieuw
te moeten beginnen.
Is
jouw werk te beschouwen als een katalysator die zorgt dat mensen sneller
wortels krijgen?
Dat durf ik niet zo stellig te beweren. Om dat te bereiken zou ik me misschien
nog meer moeten richten op de geschiedenis van de mensen die in een wijk
wonen. Denk bijvoorbeeld aan hoe dit gebeurt in projecten waarin voor
het eerst Surinaamse mensen vanuit hun eigen perspectief vertellen over
slavernij. Ten tweede, als ik zo'n flatwijk binnenloop, zinkt de moed
me vaak in de schoenen - het is kortom lang niet eenvoudig om een vorm
te vinden om mensen te benaderen.
Maar
toch- mijn werk is inderdaad voor een deel een herontdekking van heel
natuurlijke processen die veel met de beleving van tijd te maken hebben.
Ik probeer overgangsfasen te intensiveren waardoor de tijd als het ware
langzamer gaat stromen. Dat is voor mensen heel waardevol omdat het ze
gelegenheid geeft om dingen te kunnen verwerken en er vormen voor te vinden.
Er leeft volgens mij een behoefte aan ruïnes. Daarmee bedoel ik natuurlijk
niet dat ik dingen kapot wil maken, maar dat de kapotte dingen de tijd
moeten krijgen om langzaam te verdwijnen, zodat we er waardig afscheid
van kunnen nemen.
Waarom
is de ziel van de plek voor jou eigenlijk zo belangrijk?
Dat heeft te maken met mijn achtergrond als fruittelersdochter. Al op
de academie voelde ik dat ik geen atelierkunstenaar zou worden, maar meer
met plekken en landschappen had. Als ik erop uit trok, vond ik inspiratie
in de dialoog met plekken. Ik was ook altijd al gevoelig voor de grote
veranderingen die in onze omgeving gaande zijn en merkte dat ik er nog
de minste pijn aan beleefde als ik er intensief bij betrokken was, waardoor
ik als het ware bovenop de golf van de verandering reed en hem zo bezweerde.
Ik kwam er ook achter dat vrijwel iedere plek door mensen gemaakt is,
en dat je die menselijke factor niet kunt negeren. Op dit moment zou ik
heel graag iets doen met agrarisch gebied doen; daar voltrekt zich op
dit moment een groot stil drama. Het agrarische gebruik verdwijnt in hoog
tempo, terwijl er een toestroom is van mensen die de omgeving meer consumeren
dan dat ze er wortel schieten. Het is één opgeleukte toestand
aan het worden, waarin ook de intolerantie tegenover juist de oorspronkelijke
bewoners toeslaat. Misschien levert juist deze bevoorrechte groep burgers,
die zich een paradijsje kunnen kopen wel minstens zo'n belangrijke bijdrage
aan de desintegratie van de samenleving.
Misschien
dat mijn kersverse omschrijving van mijn zorg over het landschap nog ergens
tussen past. 'Vroeger keken de boeren naar de lucht en zeiden: ik vertrouw
de lucht niet, we moeten maatregelen nemen. Ik kan nu naar het landschap
kijken en denken: ik vertrouw dat landschap niet, het kan volgend jaar
wel weg zijn of niet meer écht zijn. Het landschap is zo veranderlijk
als de lucht geworden.
Ik
signaleer nog een andere ontwikkeling waarin regelgeving en handhaving
steeds belangrijker wordt gevonden, in zo'n hoge mate dat ik me afvraag
of we nog wel willen leven of dat we alleen maar bang zijn om dood te
gaan. Daar zou eens een tegengeluid tegen moeten komen.
Nog een kersverse: "Met die regels redt je misschien drie levens,
maar verzuur je duizenden levens. Je kan niet meer denken in wat mogelijk
is alleen nog maar wat onmogelijk is. Dat staat haaks op 'ontwikkeling',
de mogelijkheid tot ontwikkeling is de belangrijkste drijfveer in het
leven.
Ben
je als kunstenaar niet bij uitstek in de positie om dat tegengeluid te
laten horen? Op technisch/inhoudelijke argumenten is die discussie moeilijk
te winnen, maar de kunst kan er op een ander niveau commentaar op leveren.
De beste vorm daarvoor heb ik nog niet gevonden. Je kunt mensen om te
beginnen laten zien wat zij hebben opgeofferd met hun beveiligingscamera's,
verkeersdrempels en hekwerken. Dit is typisch een onderwerp waar we met
een frisse groep mensen eens stevig in zouden moeten duiken. Gijs van
Oenen schrijft in dit kader in de interpassieve transformatie van het
publieke domein. Dit komt erop neer dat mensen elkaar niet meer rechtstreeks
aanspreken maar bij onraad de politie bellen. Er is dus wel interactie
maar op een passieve manier, men neemt zijn persoonlijke verantwoordelijkheid
niet meer. Dit zou deels kunnen komen doordat de publieke ruimte te bedreigend
en onpersoonlijk is voor mensen om hen het gevoel te geven dat ze er zelf
iets tot stand kunnen brengen. Nu we allemaal onze mond vol hebben van
interactiviteit was de redenering van Van Oenen dat daarvan ook een tegenhanger
zou moeten bestaan. Interpassiviteit is mijns inziens een vorm van lafheid,
die zich ook uit in ventileren van ongenoegens via de media en internet
in plaats van in de persoonlijke contacten.
Ik
voel mezelf soms klein tegenover deze grote ontwikkelingen, maar vanuit
mijn interesse en verontwaardiging houd ik de moed erin en begin ik gewoon,
in de hoop dat het boven me uitstijgt; dat ik meer bereik dan ik aanvankelijk
in me eentje dacht te kunnen.

|