Op zoek naar de Ziel van een stad
Twee lezingen en een forumdiscussie in de Vishal, 2003 door Marja Sonneveld

Verschenen in: Locus, Lichaam, Ziel, over het veranderend beeld van Haarlem, 2001-2005
Uitgave: Vishal Haarlem, 2005-07-22
ISBN: 90-803608-6-4



In aansluiting op de expositieserie Locus Lichaam Ziel heeft in december 2003 een forumdiscussie plaatsgevonden, voorafgegaan door twee lezingen:
Stefan Bendiks van bureau Artgineering Rotterdam, hield een lezing over 'citybranding' als basis voor het ontwerpproces dat aan stedenbouw vooraf gaat. Hij staat vaak aan de wieg van nieuwe locaties, gebouwen en woonwijken.
Ida van der Lee, beeldend kunstenaar uit Amsterdam, vertelt over haar kunstprojecten in de openbare ruimte, waar ze groepen bewoners bij betrekt. Zij staat als het ware aan het ziekbed of aan het sterfbed van locaties, gebouwen of woonwijken.

Artgineering, bureau stedenbouw en architectuur, Rotterdam
Lezing door Stefan Bendiks

Het bureau Artgineering zoekt naar alternatieve methodes om de identiteit van een stad in kaart te brengen, zodat die als vertrekpunt kan dienen voor hun ontwerppraktijk.

Stefan Bendiks onderzoekt alle mogelijke elementen waaruit de identiteit van een stad is opgebouwd: "Steden profileren zich tegenover bezoekers. Dit wordt in het algemeen beschouwd als citybranding. Ik heb bij Google gezocht onder 'Haarlem' en 640.000 hits gevonden. Dan zie je dat deze stad zich profileert rond de Grote Markt, het mooie oude station, het middeleeuwse centrum met haar hofjes en musea. Bij 'Harlem' kun je een miljoen 'hits' vinden, bijna het dubbele. Daar zijn links bij met jazzcultuur, met Black is Beautiful, Martin Luther King en Bing Crosby bijvoorbeeld. Zo is op een bepaalde manier Harlem boven de fysieke realiteit uitgegroeid, haar 'brand' is bijna even bekend als Coca Cola of McDonald's.

Veel mensen hebben moeite met het begrip citybranding. De negatieve associaties die het woord oproept, hebben we geprobeerd op een rij te zetten om te kijken of we er toch van kunnen leren. Wij vroegen ons af of je met 'marketing', denkprocessen over stedenbouw in gang kunt zetten. We kwamen in de reclamewereld de tendens tegen van 'concepting' en dat is 'marketing the other way around' - marketing op zijn kop.

'Marketing' begint met het definiëren van een product, pas daarna komt de promotie. 'Concepting' draait de zaak om en begint met promotie. Een interessante invalshoek voor ons bureau zou 'concepting identity' kunnen zijn; een concept formuleren om een identiteit te kunnen 'construeren'. Via de analyse van de 'citybranding' van steden, kom je als ontwerper veel te weten over het gedachtegoed waarmee een stad zich profileert".

Stefan Bendiks laat een aantal voorbeelden zien van publicaties en afbeeldingen uit diverse steden ter wereld. De stad Berlijn presenteert zich in één van zijn voorbeelden met een reclame affiche waarop een dame staat, met op haar rug de tekst 'de stad ben ik', getatoeëerd. "Dat beeld heeft een grote impact op ons, ontwerpers van Artgineering, omdat het beeld verwijst naar een emotionele band tussen bewoner en stad."

Bendiks geeft als volgend voorbeeld de stad Olympia in Griekenland.
"Als fysieke stad bestaat Olympia nog steeds, maar niemand heeft het meer over Olympia als hedendaagse stad. De huidige stad Olympia is compleet ondergeschikt geraakt aan de waarden en emoties die samenhangen met 'atletiek' en 'competitie'. Waar de stad voor staat, is de olympische spirit en hiermee is Olympia getransformeerd naar een gedachtegoed".

Als ander voorbeeld om gedachtegoed te kunnen ontrafelen noemt Stefan Bendiks 'Bennetton'. "Dat merk gaat over pull-overs en oorspronkelijkheid. Het eerste concept van Bennetton was erg simpel: 'wij zijn zogenaamd één familie'; alle pull-overs zijn hetzelfde maar zijn wel verkrijgbaar in veel verschillende kleuren. De thema's die in hun vaak
omstreden reclameboodschappen worden getoond zijn onder andere racisme, aids en
oorlog. De relatie tussen het product en het idee ligt absurd ver uit elkaar. Het is voor ons interessant te bestuderen waarom hier sprake is van zo'n grote discrepantie tussen het
product en het gedachtegoed.

Bendiks vervolgt: "Een project dat recent in de stedenbouw stof heeft doen opwaaien is Brandevoort bij Helmond. Een vinexlocatie, ontworpen door Rob Krier en Christoph Kohl. Het sociaal economisch draagvlak van de stad Helmond was zwak. Er ontstond behoefte aan een opvallend project. Een citaat uit de website Brandevoort.com, luidt: "Deze woonlocatie wordt ingericht en gerealiseerd als een 'Brabants Dorp'. Brandevoort bestaat uit een dorpskern, 'de Veste' genaamd, en de 'Buitens'. Dit zijn de woongebieden eromheen.(…) De vormgeving is geïnspireerd op de traditionele Brabantse woningbouw. Plaatsen als Heusden en Oirschot hebben daarbij als voorbeeld gediend. In de straten zullen zoveel mogelijk verschillende woningen worden gebouwd. Hierdoor wordt een zeer afwisselend straatbeeld bereikt en wordt geappelleerd aan de behoefte aan individualiteit."

Bureau Artgineering ziet na analyse van dit project, de bevestiging van de mogelijkheid om citybranding als vertrekpunt voor ontwerpen te nemen. Eerst de elementen benoemen waaruit de identiteit van een stedelijk gebied zou moeten bestaan, alvorens te gaan
ontwerpen.

Bendiks laat een aantal van de projecten van Artgineering de revue passeren, waaronder Meerstad, een te ontwikkelen vinexlocatie in de provincie Groningen. "Hoe communiceer je met een dorpsgemeenschap over een nieuwbouwwijk die naast hun dorp wordt gepland? Het gaat om een eenvormige doelgroep van dorpsbewoners met veel weerstand tegen verstedelijking van hun gebied. In de vinexwijk wil men dure woonhuizen aan nieuw aan te leggen waterrijke gebieden bouwen. "Wij hebben in een serie posters proberen uit te leggen, dat aan 'water' als gedachtegoed een spiritueel element hangt. Dat water misschien meer kan betekenen dan vastgoedontwikkeling, dat water zelfs een nieuwe agrarische sector mogelijk kan maken. Op deze wijze proberen we deze dorpsgemeenschap op andere gedachten te brengen."


Ida van der Lee - projecten presentatie

In de Vishal installeerde Ida van der Lee een grote tafel van sloophout. Hierop monteerde ze acht fotoboeken: een inmiddels fors archief van haar zoektocht naar de ziel van gebouwen, huizen en locaties; plekken waar de ziel achterblijft. Zij gaat met bewoners aan de slag om de ziel te onthullen en de informele cultuur zichtbaar te maken. De fotoboeken dragen de titels van haar projecten, zoals: Stofoverschot, Ontroerend goed en Hellendoorn op zaal.

Ida van der Lee: "Eigenlijk is het ondoenlijk om een ziel te duiden. Het is zo raadselachtig en ongrijpbaar. Toch doe ik een poging en definieer de ziel als de bewegende kracht in alle dingen. De ziel heeft te maken met een dieper weten. Het komt tevoorschijn als er een onvermijdelijke noodzaak is, het is als een natuurlijke drang. Ook de ziel moet immers mee verhuizen."

De overlevering van een huis 1996-1997
"Ik fietste langs een daglonerhuisje langs de A2 in Breukelen. Het huis stond leeg, het sprak me aan en ik heb aan de eigenaar gevraagd of ik daar 'dingen' mocht doen. Mensen die uit Leidsche Rijn weg moesten, hadden het gekocht om te slopen en een villa op het terrein te bouwen. Dit is een heel belangrijk project geworden, omdat het de basis heeft gelegd voor mijn werk.

Ik begon gewoon te tekenen en maakte de muren 'transparant' ter voorbereiding van het verdwijnen. Het buiten dat ik 'door de muur zag' tekende ik binnen op de muur. Door het raam zag je het echte landschap, dat op de muren doorliep. Ik maakte een camera obscura op zolder: gaatjes in het dak werpen projecties op vloer. Ik haalde hiermee de buitenwereld naar binnen. Het huis werd zo steeds transparanter, het loste als het ware op. Na deze eerste sessie heb ik bedacht dat ik met een groep kunstenaars het huis wilde afbreken, een langzame ontleding als een soort anatomische les.

Muren hebben we uitgeklapt en het huis teruggewerkt naar de essentie, en als kern de schoorsteen laten staan. De schoorsteen hebben we vervolgens ritueel in brand gestoken opdat hij zou omvallen. Rituelen geven vorm aan belangrijke gebeurtenissen, een mooie vorm, en dat mooie kun je herdenken. Dat gegeven heb ik uitgewerkt in volgende projecten".

Wasgoed is goed 2000
De Vrolikstraat in Amsterdam-Oost, een verwaarloosde en als slecht bekendstaande straat, moest gerenoveerd worden. Als beeldend kunstenaar werd Ida van der Lee gevraagd om een kunstproject in deze straat te realiseren. Ida van der Lee bedacht een 'wasgoed beeld' en onderzocht hoeveel mensen in de straat zouden willen meewerken, om dat idee te
realiseren. Meer dan de helft van de bewoners deed mee. Met behulp van een hoogwerker heeft ze samen met hen 175 waslijnen over de straat gespannen. Die hele lange straat hing feestelijk vol met gekleurd wasgoed en lakens. Bewoners hadden sokken, lingerie en andere intieme kledingstukken ingeleverd, die op dia werden gezet. Deze dia's van kleurige intieme kledingstukken werden vanuit de ramen op de lakens geprojecteerd. Zo werden de waslijnen dragers van de persoonlijke expressie van een groot aantal bewoners.

Ida's project werkte als 'goednieuws reportage', van het programma Netwerk voor de Vrolikstraat zodat deze straat zijn oorspronkelijke sociale verbondenheid herwon. Voor Ida was het sociale aspect van dit project een eye-opener; zij had zich van te voren niet gerealiseerd, hoe groot de impact kan zijn, als bewoners deel uitmaken van een kunstproject.

Van sloophamer tot schatkamer 2003-2005
Vissershop is een arbeiderswijk aan de Zaan, gebouwd tijdens de eerste wereldoorlog. De wijk moest worden gesloopt vanwege verzakkingen door te korte palen. Door de sloop- en nieuwbouwplannen voelden de 'Hoppers' zich als de havenstakers van weleer: samen met de 'mensen van de beweging' willen knokken om je vooral geen oor te laten aannaaien.
In deze gedrevenheid, ziet Ida van der Lee de bezieling van het Vissershop. Maar de hamvraag was hoe deze ziel te bewaren en mee te laten verhuizen naar het nieuwe Hop? Er kwamen massa's verhalen los van de bewoners die elkaar goed kennen. Zij vroeg de bewoners hun verhalen op te schrijven.

Ida maakte een schatkist van restmaterialen uit de slooppanden; van trapleuningen en een raam van de kapsalon werd een schatkist getimmerd, met brievenbussen. Daarin konden de bewoners hun opgeschreven schat aan herinneringen en foto's kwijt. In aanwezigheid van alle buurtbewoners is de grote schatkist ritueel vervoerd over de Zaan en over weilanden naar het Zaans Museum. Op de rondvaartboot werd het een soort reünie, in de sluizen zong het kapiteinskoor vissersliederen. In een tweede fase werden de mooiste verhalen in vijf slooppanden door Ida op de muren, planken, kasten en zolders aangebracht.

Eind 2005 komen een honderdtal verhalen in natuurstenen tegels in het gloednieuwe Vissershop. De toekomst zal uitwijzen of de ziel zijn plaats heeft gevonden.


Het forumdebat
Forumleden: Thijs Asselbergs - architect, Ida van der Lee - beeldend kunstenaar, Frans van de Ven - planoloog, Max van Aerschot - architect, Alex Jansen - projectleider bouwprojecten gemeente Haarlem en Marja Sonneveld - initiator.

Forumvoorzitter Frans van de Ven vat de presentaties van Ida van der Lee samen met de stelling dat je de ziel van gebouwen of buurten pas ziet, als ze gesloopt worden. Stefan Bendiks zag hij een poging doen om via citybranding een ziel te construeren. Vervolgens geeft Van der Ven met zijn prikkelende vraag: 'als de ziel er dan toch ís, kan hij dan ook gerepareerd worden?' het startschot voor een verwoed debat. Een aantal hoogtepunten worden hieronder weergegeven.

Over stedenbouwkundige structuren en de ziel
Thijs Asselbergs ziet gebouwen, steden of gebieden als dragers van een ziel of karakter. "Het wasgoedproject van Ida van der Lee, dat ze vanavond toonde, is een goed voorbeeld. Als de stedenbouwkundige structuur of het profiel van zo'n straat zó goed is dat je daar tot in de 21ste eeuw, dus blijkbaar al 100 jaar lang, waslijnen kunt spannen om daarmee een soort nieuwe sociale structuur aan dat oersterke frame te geven. Dat is razend interessant.
De beste 'ziel' zie je volgens mij in de grachtengordel van Amsterdam. Dat is één van de meest briljante stedenbouwkundige structuren, waar miljoenen zielen inmiddels al het leven hebben gelaten en die op allerlei manieren andere identiteiten hebben aangenomen. De geschiedenis van zo'n stad… dáárin is die identiteit van zo'n gebied in samengebald. Kijk naar Venetië en Manhattan, dat zijn allemaal heel sterke identiteiten, waar je als ziel bij elkaar komt of als mens. Daar gebéuren dingen. Ida van der Lee vindt interessante
metaforen voor zo'n gebied. Nog interessanter is het, als deze gebouwen ontzettend lang meegaan. Waarom voelt iedereen zich in een middeleeuwse stad als Haarlem zo prettig? Haarlem heeft gewoon een ontzettend oude ziel. Je voelt hier enorm veel kracht. Nu we ons in De Vishal op de Grote Markt bevinden voel je dat echt. Het zou ook ontzettend veel geestkracht vergen om hier een goed sloopwerk van te maken!"
Ida van der Lee: "Maar de ziel is er nu juist een beetje uit aan het weglekken. Door het
parkeerverbod en allerlei andere reglementen wordt het nu zo fragiel, zo opgepoetst en opgeschilderd, het is mooi, that's it".
Thijs Asselbergs: "Door de toepassing van citybranding vinden wij dat Amsterdam, of Haarlem, op de een of andere manier een grote funshop moet zijn of worden, een soort 'Disneyland'. Je gebruikt dan 'de middeleeuwen' om een soort identiteit te maken, zodat je die stad kunt uitventen. Als het stedenbouwkundige frame van een buurt of stad heel erg goed is, hoeft dat niet, dan houdt dat oude frame het heel erg lang vol en de mensen geven er door hun gebruik vervolgens wel een identiteit aan".

Identiteit versus ziel
Max van Aerschot: "Ik hoor hier de term 'ziel' gebruikt worden in de zin van 'gebruik en functie'. Ik ga veel meer uit van 'identiteit' en 'karakter' van wat je maakt en ontwerpt. Dat gaat veel meer over de gelaagdheid, enerzijds fysiek maar anderzijds ook spiritueel, van een plek die je op dat moment onder handen neemt. Dat heeft weer heel veel te maken met de modieuze term 'genius loci' de geest van de plek. Vitruvius, een Romeins filosoof en wiskundig bouwmeester, formuleerde als voorwaarde, dat je als architect drie maanden op een plek moest overnachten. Op een gegeven moment van inzicht begin je pas met ontwerpen. Dat vind ik eigenlijk een heel mooi gegeven, dat geeft ook iets aan over het karakter van een stad en hoe je als architect met elke plek om moet gaan. Er zijn heel wat architecten, daar kun je rustig van uit gaan, die de plek waar hun gebouw terechtkomt niet eens bezoeken en pas komen kijken hoe het gebouw geworden is, als het er al staat. Dat is, wat mij betreft wat er misgaat bij de huidige stedenbouw: het gebrek aan gebondenheid en affiniteit met het onderwerp. Voor je het weet verval je weer in clichés. Het gaat hier in principe niet zozeer over gebruik en functie, maar het gaat veel meer over het respect voor de plaats en voor datgene wat je ervoor maakt".

Kwaliteit van een gebouw
Thijs Asselbergs: "Een auto moet bepaalde eigenschappen hebben, een gebouw moet ook aan bepaalde voorwaarden voldoen. Toch worden veel monumenten nog steeds gesloopt, omdat ze niet aan een nieuwe bestemming zouden voldoen. Het is ook moeilijk een gebouw te hergebruiken, en er zijn ook economische wetten die dat tegenwerken. Een gebouw dat 50 jaar staat en 'monument' zou kunnen worden, is niet voor niets pas na 50 jaar kandidaat monument. Dat gebouw moet eerst al die stormen hebben doorstaan en haar rijkdom aan gebruikswaarde hebben aangetoond".
Iemand uit het publiek merkt op dat er in de bouwkunst sprake is van een onderorde en een bovenorde. De bovenorde gaat over de directe gebruiksfuncties zoals de woonkamer, toiletgroep of keuken en de onderorde gaat over de gedachte, dat er na een aantal decennia moet blijken of een gebouw het aan kan om weer andere zielen te huisvesten.

Woonhuizen als consumptieartikel
Frans van de Ven geeft aan dat de aantrekkingskracht van historische gebouwen groot is. Alsof iedereen er de aanwezigheid van een ziel voelt. De historische stijl wil men dan kopiëren, zoals men dat gedaan heeft in de wijk Brandevoort.
Max van Aerschot: "Daarom ben ik zo'n grote tegenstander van 'concepting' voor stedenbouw. De architectuur bestaat in zo'n geval uit een serie ideetjes en concepten. Dat vind ik gewoon fake, een holle ballon, op die manier krijgen gebouwen geen karakter. Gebouwen moeten echt met het leven zélf te maken hebben, met de dingen die je maakt vanuit het oerprincipe van bouwen".
Ida van der Lee: "Een huis met een dak is toch altijd nét wat mensen liever willen dan een plat dak, het water glijdt er ook zo lekker vanaf… dat archetype lééft wel".
Frans van de Ven: "Maar als je in Brandevoort rondloopt, dan heb je niet eens het gevoel dat dit nou die geniale plek is. De wijk ligt ver van het centrum van Helmond af, helemaal in de Peel en er is een kunstmatig nepgrachtje gemaakt, opdat er een stel driemasters zouden kunnen binnenvaren… terwijl het een ondiep slootje is! Er is een nieuwbouwwijk gebouwd in de vorm van een zogenaamd vestingstadje. Aan de achterkant is helemaal niets en als je achterom kijkt zie je veel geparkeerde auto's. Alles is met hekken afgesloten en de bouwvorm heeft niets te maken met wat het bedoelt te zijn. Het wordt daarmee een grote leugen".
Max van Aerschot: "Woonhuizen zijn geen consumptieartikelen, het gaat om het karakter van een gebouw. Een gebouw als De Vleeshal bewijst over meerdere generaties z'n waarde". De maat en de schaal kloppen met haar ontstaansmoment in de geschiedenis.
Thijs Asselbergs: "Dat is heel lastig, want dat soort gebouwen hebben in verschillende
tijden een ander gezicht. Lieven de Key moest gevierendeeld worden op De Grote Markt toen het gebouwd werd. Wat nieuw is kost ontzettend veel tijd voordat het geaccepteerd wordt - we hebben het over die ongelofelijke 'bonbonnière' die daar staat te zijn naast
de Vishal".
Max van Aerschot: "Daarom moet je toch ook accepteren, dat dingen die je waardevol vindt de tijd nodig hebben om begrepen te worden?"

Dragerstructuur
Max van Aerschot: "Een stad heeft een bepaalde schaal gekregen omdat bomen een bepaalde lengte hadden, niet sterker dan dragend van de ene naar de andere muur. Daarom kreeg je steeds die 5 à 6 meter, alle maten komen daar dan vandaan. De Amsterdamse stadsplattegrond is geen concept maar een geraamte. Het is een drager (....) de dynamiek van gebruik geeft aan plekken een heel eigen identiteit. Dat is heel iets anders dan wat er nu gebeurt in de stedenbouw. Kijk hoe bepaalde bruggen worden 'gesampled' en elders worden neergezet".
Stefan Bendiks: "Wij hebben geen tijd meer om dingen organisch te laten groeien".
Max van Aerschot: "Dat is een groot misverstand, dat kan wel!"
Stefan Bendiks: "Volgens ons is het belangrijk na te denken over geïntegreerde manieren van stadsplanning, daar is toch een markt voor?"
Frans van de Ven: "Ik denk dat we het er over eens zijn dat er zoiets als een 'drager-
structuur' moet zijn, ontworpen moet worden. Kun je zeggen dat de geschiedenis zijn
voorkeur uitspreekt voor een bepaalde dragerstructuur? Of is dat in iedere tijd anders?"
Ida van der Lee: "Als je de Beemster bekijkt, daar ben ik geboren; op het moment dat de polder gemaakt werd, moeten de mensen er zich 'unheimisch' gevoeld hebben tussen die lange rechte lijnen en dat weidse vlakke land. De renaissance heeft gestimuleerd zo te
denken maar of de gewone mensen dat toen snapten? Nu staat de Beemster vermeld op de werelderfgoed lijst."
Frans van de Ven: "Dat 'Beemstermodel' of concept ligt vervolgens weer aan de grondslag van de plattegrond van Manhattan-New York. Er zijn een aantal van die archetypische structuren die de eeuwen hebben doorstaan die heel sterk overeind zijn gebleven, maar hebben we in de 'moderne' 20ste eeuwse stedenbouw ook nieuwe archetypes gecreëerd?"
Iemand uit het publiek brengt naar voren dat de steden zichzelf geen tijd gunnen en dat de geschiedenis geen vooropgezette structuur kent. Iemand vertelt: "Ik heb een half jaar in Venetië gewoond, en die stad is gegroeid van eilandje naar eilandje - bruggen - eilandje - brug - eilandje - brug - heel organisch gegroeid. Venetië heeft geen structuur, in tegenstelling tot wat net nog beweerd werd. Je kunt het misschien wel groeistructuur noemen?"
Thijs Asselbergs: "Maar er was wel sprake van een soort van 'basis'schaal waarop steeds weer gekloond en waarop doorgewerkt is. Dat zie je op de historische kaart ook".
Publiek: "Maar er lag niet zoiets aan ten grondslag als de toen nieuwe Beemster, of de Bijlmer of de Parklaan in Haarlem".
Max van Aerschot: "Elke plek heeft het geraamte dat het verdient, daar gaat het om."
Schalkwijk
Frans van de Ven: "Ik vind dat we even terug naar Haarlem moeten gaan, naar Schalkwijk. Is het probleem van Schalkwijk, dat die historische dragerstructuur verdwenen is? Moet er een nieuwe dragerstructuur ontworpen worden? Dat zou gigantische consequenties hebben!"
Publiek: "De eerste zin van het boek Genesis luidt: 'in den beginne was er niets'. Schalkwijk is bijna vanuit het niets geboren. Er waren wel een aantal boerderijen, weilanden en
sloten, als dat een dragerstructuur genoemd zou kunnen worden… Daar is dan totaal geen rekening mee gehouden".
Max van Aerschot: "Daar is het ook mis gegaan! Er is geen respect voor de plek geweest, gewoon 'tabula rasa'. Dan bega je de eerste fout, die nooit meer goed te maken valt".
Stefan Bendiks: "Daar ben ik het niet mee eens. Er zijn steden met zoveel verschillende structuren, we hadden het over New York, die stad functioneert prima, New York hééft identiteit. Misschien niet een identiteit die ontstaan is dankzij een 'Beemster' drager-
structuur, maar wel door een mentaliteit van vrijheid die alles mogelijk maakt. Central Park is het landschappelijk element die de identiteit van New York sterk bepaald heeft. Ik denk dat stedenbouwkundigen en architecten vaak de fysieke realiteit van een stad overschatten ten opzichte van de intrinsieke identiteit. Een naoorlogse wijk of een New York's grid of een middeleeuwse stad kan als dragerstructuur heel veel verschillende identiteiten opleveren. Dat staat er toch voor een deel los van. Je moet bekijken, welke elementen nu eigenlijk de identiteit van een stad bepalen, vanuit welke gelaagdheid. Niet zozeer van de fysieke
realiteit maar van de niet fysieke realiteit, zoals de politieke, culturele en historische
realiteit en context."
Thijs Asselbergs: "Haarlem zal uiteindelijk uit een cel bestaan van de metropool 'de
randstad'. De oude stad, het centrum, de wijk Schalkwijk en andere stadsdelen, dat zijn
uiteindelijk aperte identiteiten, die weliswaar niet veel met elkaar te maken hebben. Maar de hele 21ste eeuw zal de randstad onderhevig zijn aan een proces van verstedelijking
vergelijkbaar met Los Angeles of de omgeving van New York of Sao Paolo. De omgeving van Amsterdam tot Rotterdam en Dordrecht aan toe wordt toch één grote stad!"

Frans van de Ven: "Kun je zeggen dat de geschiedenis zijn voorkeur uitspreekt voor een bepaalde dragerstructuur? Of is dat in iedere tijd anders? Hebben we in de 'moderne' 20ste eeuwse stedenbouw nieuwe archetypes gecreëerd? De steden gunnen zichzelf geen tijd. Die groeistructuur is een soort poliepvormig gebeuren"
Frans van de Ven besluit het debat met de uitspraak die hij als mooiste van het debat beschouwt: "Elke plek heeft het geraamte dat het verdient, daar gaat het om".


Marja Sonneveld, 8 mei 2005